We staan aan de start van de industriële revolutie. De eerste treinen gaan rijden. Het is 1841. In de Verenigde Staten vraagt John G. Rand, schilder, zich af hoe zijn verf langer bewaard kan worden en krijgt een idee. Niet langer de varkensblaas maar een tinnen buisje. Hij slaat de onderkant van zo’n buisje plat en vult het met verf. Vervolgens tikt hij met zijn hamer de bovenkant ook dicht. Het blijkt te werken.
Het idee wordt snel verder uitgewerkt en er komen fabrikanten die de tubes met verf gaan vullen. Al snel is het breed uitgezet in de kunstwereld.
Schilders ontdekken dat ze met een tas vol tubes op de trein kunnen stappen en verlaten hun atelier. Ze zoeken de natuur op, gaan buiten werken.

In de buurt van Fontainebleau, preciezer het dorpje Barbizon vinden Franse schilders elkaar. Ze delen ideeën en verfkleuren.
In Nederland gebeurt iets dergelijks ook, in Bergen, in Laren, in Den Haag. Een Mesdag, Israëls, Mauve. De schilderijen krijgen lichter kleuren.

Fijn dat je mijn blog leest, geef gerust een reactie